Werkwoord "lijmen" - Nederlandse werkwoorden

Conjugation of have (Export PDF)

nederlandsWerkwoord "lijmen"

infinitief
nederlands
  • lijmen
onvoltooid verleden tijd
nederlands
  • lijmde
voltooid deelwoord
nederlands
  • gelijmd

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
lijm
jij/u (je)
lijmt
hij/zij/het
lijmt
wij (we)
lijmen
jullie
lijmen
zij (ze)
lijmen

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb gelijmd
jij/u (je)
hebt gelijmd
hij/zij/het
heeft gelijmd
wij (we)
hebben gelijmd
jullie
hebben gelijmd
zij (ze)
hebben gelijmd

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
lijmde
jij/u (je)
lijmde
hij/zij/het
lijmde
wij (we)
lijmden
jullie
lijmden
zij (ze)
lijmden

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had gelijmd
jij/u (je)
had gelijmd
hij/zij/het
had gelijmd
wij (we)
hadden gelijmd
jullie
hadden gelijmd
zij (ze)
hadden gelijmd

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal lijmen
jij/u (je)
zult lijmen
hij/zij/het
zal lijmen
wij (we)
zullen lijmen
jullie
zullen lijmen
zij (ze)
zullen lijmen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal gelijmd hebben
jij/u (je)
zult gelijmd hebben
hij/zij/het
zal gelijmd hebben
wij (we)
zullen gelijmd hebben
jullie
zullen gelijmd hebben
zij (ze)
zullen gelijmd hebben

Vind de meest gebruikte werkwoorden in Nederlands.