Voorzetsels van plaats

Net als het Nederlands heeft Engels voorzetsels of prepositions om relaties aan te duiden. Deze voorzetsels zijn onder te verdelen in drie categorieën: voorzetsels van plaats, van tijd en van beweging.

Voorzetsels van plaats

Voor sommige uitdrukkingen bestaan er vaste voorzetselcombinaties.

At wordt gebruikt voor nummers en gebouwen:
  • At number 7 - Op huisnummer 7
  • At the hospital - In het ziekenhuis
  • At work - Op het werk
On gebruik je voor straten en oppervlaktes:
  • On the highway - Op de snelweg
  • On the water - Op het water
  • On High Street - In High Street
  • On the radio - Op de radio
In wordt gebruikt voor geografiche plaatsen en ruimtes:
  • In Leiden - In Leiden
  • In Zeeland - In Zeeland
  • In the Netherlands - In Nederland
  • In Europe - In Europa
  • In the room - In de kamer
  • In your hand - In jouw hand
  • In the club - In de club
Andere voorzetsels die ook gebruikt worden om tijd aan te duiden:
  • Above the door - Boven de deur
  • Below the bell - Onder de bel
  • Over the chair - Over de stoel
  • Under the desk - Onder het bureau
  • Among students - Onder de studenten
  • Between the windows - Tussen de ramen
  • Beside the stable - Naast de stal
  • Next to the computer - Naast de computer
  • In front of the park - Voor het park
  • Behind the curtain - Achter het gordijn
  • With her daughter - Met haar dochter
  • In the middle of the movie - Midden in de film
  • I study English at university - Ik studier Engels aan de universiteit
  • The car is in front of the house - De auto staat voor het huis
  • There is a great movie on tv - Er is een geweldige film op tv

Voorzetsels van tijd

At gebruik je altijd als het gaat om een specifieke tijd:
  • At eight o'clock - Om acht uur
  • At 15.34 - Om 15.34
On gebruik je altijd bij data en dagen:
  • On January, 1 - Op 1 januari
  • On Monday - Op maandag
  • On Tuesdays - Op dinsdagen
In gebruik je voor periodes:
  • In the evening - 's avonds
  • In the winter - In de winter
  • In December - In december
  • In 2003 - In 2003
Andere voorzetsels die ook gebruikt worden om tijd aan te duiden:
  • After 10 years - Na 10 jaar
  • Before Sunday - Voor zondag
  • For a month - Voor een maand
  • From December - Vanaf december
  • Around five o'clock - Rond vijf uur
  • By five o'clock - Tegen vijf uur
  • Since 2010 - Sinds 2010
  • During the spring - Gedurende de lente
  • Till the morning - Tot de morgen
  • Until the morning - Tot de morgen
  • From 3 to 5 - Van 3 tot 5
  • You have until tonight to finish this task - Je hebt tot vanavond om deze taak af te maken
  • From January onwards we will have a new colleague - Vanaf januari hebben we een nieuwe collega
  • I will pick you up at three o'clock - Ik haal je op om drie uur
  • She will come by around seven o'clock - Ze komt langs rond zeven uur

Voorzetsels van beweging

At gebruik je altijd als het gaat om een specifieke tijd:
  • At eight o'clock - Om acht uur
  • At 15.34 - Om 15.34
On gebruik je altijd bij data en dagen:
  • On January, 1 - Op 1 januari
  • On Monday - Op maandag
  • On Tuesdays - Op dinsdagen
In gebruik je voor periodes:
  • In the evening - 's avonds
  • In the winter - In de winter
  • In December - In december
  • In 2003 - In 2003
Andere voorzetsels die ook gebruikt worden om tijd aan te duiden:
  • After 10 years - Na 10 jaar
  • Before Sunday - Voor zondag
  • For a month - Voor een maand
  • From December - Vanaf december
  • Around five o'clock - Rond vijf uur
  • By five o'clock - Tegen vijf uur
  • Since 2010 - Sinds 2010
  • During the spring - Gedurende de lente
  • Till the morning - Tot de morgen
  • Until the morning - Tot de morgen
  • From 3 to 5 - Van 3 tot 5
  • You have until tonight to finish this task - Je hebt tot vanavond om deze taak af te maken
  • From January onwards we will have a new colleague - Vanaf januari hebben we een nieuwe collega
  • I will pick you up at three o'clock - Ik haal je op om drie uur
  • She will come by around seven o'clock - Ze komt langs rond zeven uur

Voorzetsels van beweging

  • Look at - Kijken naar
  • Drive by - Langsrijden
  • Come from - Komen uit/van
  • Bump into - Tegenkomen
  • Walk on - Doorlopen
  • Hold onto - Vasthouden
  • Switch off - Uitschakelen
  • Get out of - Weggaan

De precieze betekenis van een werkwoord hangt af van de combinatie. 'on' betekent bijvoorbeeld niet atijd alleen maar 'door', maar soms ook 'op'.