Tijd

Dagen en maanden schrijf je in het Engels altijd met een hoofdletter, seizoenen krijgen een kleine letter.

Dagen/Days

  • Maandag - Monday
  • Dindag - Tuesday
  • Woensdag - Wednesday
  • Donderdag - Thursday
  • Vrijdag - Friday
  • Zaterdag - Saturday
  • Zondag - Sunday
Met -s geeft een routine aan: élke maandag. Zonder -s geeft een specifieke dag aan. In beide gevallen gebruiken we het voorzetsel 'on'.
  • On Mondays I always go to the gym - Op maandagen ga ik altijd naar de sportschool
  • On Tuesday I'm going to meet Jim - Op dinsdag heb ik een afspraak met Jim

Maanden/Months

  • Januari - January
  • Februari - February
  • Maart - March
  • April - April
  • Mei - May
  • Juni - June
  • Juli - July
  • Augustus - August
  • September - September
  • Oktober - October
  • November - November
  • December - December
Als we willen zeggen dat iets in een maand gebeurd dan gebruiken we het voorzetsel 'in'. Om naar een specifieke dag in die maand te verwijzen gebruik je het voorzetsel 'on':
  • In January we will for a holiday to Spain - In januari gaan we op vakantie naar Spanje
  • On May, 1 we celebrate International Workers' Day - Op 1 mei vieren we de Dag van de Arbeid
  • My birthday is on the 1st of July - Mijn verjaardag is één juli

Seizoenen/Seasons

  • Lente - Spring
  • Zomer - Summer
  • Herfst - Autumn/Fall
  • Winter - Winter
Seizoenen kunnen gebruikt worden zowel met als zonder lidwoord. Beide combinaties zijn mogelijk en worden door elkaar gebruikt zonder betekenisverschil.
  • In spring the young birds are born - In de lente worden de jonge vogels geboren
  • In the spring we will move to New York - In de lente zullen we naar New York verhuizen