Tegenwoordige tijd (TT) in het Engels

De tegenwoordige tijd in het Engels is onder te verdelen in drie verschillende tijden: de present simple, de present continuous en de present perfect.

Present Simple

De present simple wordt gebruikt voor feiten, hobby's en gewoontes: ik werk, ik zit, ik praat. De present simple wordt gevormd door van het hele werkwoord to af te halen. Deze vorm noemen we ook wel de 'infinitief'. Alleen voor de derde persoon enkelvoud (he/she/it) voeg je een -s toe, de andere vormen blijven hetzelfde.

To walk (lopen) To sit (zitten) To talk (praten)
I walk I sit I talk
You walk You sit You talk
He/she/it walks He/she/it sits He/she/it talks
We walk We sit We talk
You walk You sit You talk
They walk They sit They talk
Exceptions (uitzonderingen) Als een werkwoord eindigt op -ch of -sh komt er een extra 'e' voor de 's' bij de derde persoon enkelvoud:
  • He/she/it teaches - hij/zij/het geeft les
  • He/she/it finishes - hij/zij/het eindigt
Als een werkwoord eindigt op -y verandert deze letter in -ie bij de derde persoon enkelvoud:
  • He/she/it marries - hij/zij/het trouwt
  • He/she/it carries - hij/zij/het draagt
Examples (voorbeelden)
  • I walk in the garden - ik loop in de tuin
  • He talks about football - hij praat over voetbal
  • We walk every Saturday - wij wandelen elke zaterdag
  • You talk all the time - jullie praten de hele tijd

Present Continuous

De present continuous wordt gebruikt om aan te geven dat iets nu aan de gang is, bij een langer durende activiteit of een voornemen (in de toekomst) aan te geven: ik ben aan het ... (werkwoord). De present continuous wordt gevormd door een vorm van to be te combineren met de infinitief + 'ing'.

To work (werken) To ride (rijden) To party (feesten)
I am working I am riding I am partying
You are working You are riding You are partying
He/she/it is working He/she/it is riding He/she/it is partying
We are working We are riding We are partying
You are working You are riding You are partying
They are working They are riding They are partying

Als een werkwoord op een klinker eindigt dan verliest het deze laatste klinker.

To cycle (fietsen) To drive (autorijden) To dance (dansen)
I am cycling I am driving I am dancing
You are cycling You are driving You are dancing
He/she/it is cycling He/she/it is driving He/she/it is dancing
We are cycling We are driving We are dancing
You are cycling You are driving You are dancing
They are cycling They are driving They are dancing
Examples (voorbeelden)
  • I am working on an essay - ik ben aan het werken aan een opstel
  • He is partying - hij is aan het feesten
  • We are cycling to grandmother's house - wij zijn aan het fietsen naar het huis van oma
  • They are dancing all night - zij zijn de hele nacht aan het dansen

Present Perfect

De present perfect geeft aan dat iets in het verleden is begonnen en nu nog steeds doorgaat, of dat iets dat in het verleden begonnen is een resultaat in het heden heeft: ik heb gewassen, ik heb geschilderd. De present perfect heeft twee vormen: de present perfect simple en de present perfect continuous. Het verschil is dat bij de present perfect continuous de nadruk meer op de handeling dan op het resultaat ligt. De meest voorkomende vorm is de present perfect simple.

De present perfect simple wordt gevormd door een vorm van to have te combineren met een voltooid deelwoord.
To wash (wassen) To paint (schilderen) To jump (springen)
I have washed I have painted I have jumped
You have washed You have painted You have jumped
He/she/it has washed He/she/it has painted He/she/it has jumped
We have washed We have painted We have jumped
You have washed You have painted You have jumped
They have washed They have painted They have jumped
Examples (voorbeelden)
  • I have washed the clothes - ik heb de kleren gewassen
  • You have painted the wall - jij heb de muur geschilderd
  • We have jumped - wij hebben gesprongen
De present perfect continuous wordt gevormd door hier nog eens been aan toe te voegen: een vorm van to have + been + 'ing'.
To write (schrijven) To call (bellen) To clean (schoonmaken)
I have been writing I have been calling I have been cleaning
You have been writing You have been calling You have been cleaning
He/she/it has been writing He/she/it has been calling He/she/it has been cleaning
We have been writing We have been calling We have been cleaning
You have been writing You have been calling You have been cleaning
They have been writing They have been calling They have been cleaning
Examples (voorbeelden)
  • I have been writing letters all day long - ik heb de hele dag brieven geschreven
  • He has been calling me too often - hij heeft mij te vaak gebeld
  • They have been ceaning the apartment for hours - zij hebben de flat urenlang schoongemaakt