Persoonlijke voornaamwoorden

Net als het Nederlands kent het Engels persoonlijke voornaamwoorden of 'personal pronouns'. Welke vorm je gebruikt hangt af van de plaats van het persoonlijke voornaawoord in de zin. Persoonlijke voornaamwoorden komen zowel voor als onderwerp als als lijdend voorwerp.

Engels Nederlands  
I Ik Eerste persoon enkelvoud
You Jij/je/u Tweede persoon enkelvoud
He Hij Derde persoon enkelvoud
She Zij Tweede persoon enkelvoud
It Het Tweede persoon enkelvoud
We Wij Eerste persoon meervoud
You Jullie/u Tweede persoon meervoud
They Zij Derde persoon meervoud
Let op: het Engels heeft dus maar één vorm voor de tweede persoon enkelvoud: zowel jij, je als u zijn allemaal 'you':
  • You are my sister - Jij bent mijn zus
  • You are my professor - U bent mijn professor
  • You are my grandparents - U bent mijn grootouders
Het Nederlandse 'zij' wordt in het Engels vertaald met 'she' (vrouwelijk enkelvoud) of 'they' (meervoud):
  • She is in the garden - Zij is in de tuin
  • They are in the garden - Zij zijn in de tuin
Voor dingen en dieren waarvan je het geslacht niet weet gebruik je 'it':
  • That is a horse, it is in the meadow - Dat is een paard, het is in de wei
  • That is a dog, it barks very loud - Dat is een hond, het blaft heel hard

Lijdend voorwerp

Engels Nederlands  
Me Mij Eerste persoon enkelvoud
You Jou/jij/u Tweede persoon enkelvoud
Him Hem Derde persoon enkelvoud
Her Haar Tweede persoon enkelvoud
It Het Tweede persoon enkelvoud
Us Ons Eerste persoon meervoud
You Jullie/u Tweede persoon meervoud
Them Hen Derde persoon meervoud
Examples (voorbeelden):
  • Are you talking to me? - Praat je tegen mij?
  • I saw you in the supermarket - Ik zag je in de supermarket
  • I met him yesterday - Ik heb gisteren met hem afgesproken
  • Will you call us tomorrow? - Bel je ons morgen?
  • My sister played with them - Mijn zus speelde met hen