(Hulp)werkwoorden: 'to have'

Om Engelse zinnen te maken zijn hulpwerkwoorden heel belangrijk. Zonder hulpwerkwoorden kun je maar twee soorten zinnen maken: de tegenwoordige (present simple) en de verleden tijd (past simple).

  • He drinks tea with lemon - Hij drinkt thee met citroen
  • They walked in the park - Zij liepen in het park

De dingen die je hiermee kunt zeggen zijn vrij beperkt. Gelukkig zijn er ook nog hulpwerkwoorden, waarmee je bijvoorbeeld aan kunt geven dat je in de toekomst thee met citroen zal drinken, of dat je net in het park aan het lopen was toen iets gebeurde. Hulpwerkwoorden heb je ook nodig om vraagzinnen te maken, of juist om zinnen te ontkennen. Ten slotte kun je hulpwerkwoorden ook gebruiken om mogelijkheid, verplichting of toestemming uit te drukken.

'To have'

Naast 'to be' en 'to do' is er nog een belangrijk (hulp)werkwoord: 'to have' (hebben). Net als 'to be' kan 'to have' gebruikt worden als hulpwerkwoord en als hoofdwerkwoord. En net als 'to be' is ook 'to have' een onregelmatig werkwoord.

Tegenwoordige tijd Nederlands Verleden tijd Nederlands
I have Ik heb I had Ik had
You have Jij hebt You had Jij had
He/she/it has Hij/zij/het heeft He/she/it had Hij/zij/het had
We have Wij hebben We had Wij hadden
You have Jullie hebben You had Jullie hadden
They have Zij hebben They had Zij hadden
'To have' wordt gebruikt om bezit aan te geven. Het kan hierbij als hoofdwerkwoord en als hulpwerkwoord voorkomen:
  • I have a dog - Ik heb een hond (Hoofdwerkwoord)
  • I have got a dog - Ik heb een hond (Hulpwerkwoord, met 'to get' als hoofdwerkwoord)
De eerste vorm wordt vooral gebruikt in Amerikaans-Engels. In Brits-Engels komt 'have got' vaker voor.

Ontkenningen en vragende zinnen

'To have' volgt de gewone regels bij ontkenningen en vragende zinnen. 'To have' als hoofdwerkwoord:
  • I have a dog - Ik heb een hond (tegenwoordige tijd)
  • I do not have a dog - Ik heb geen hond (tegenwoordige tijd, ontkenning)
  • Do I have a dog? - Heb ik een hond? (tegenwoordige tijd, vraagzin)
'To have' als hulpwerkwoord:
  • I have got a dog - Ik heb een hond (tegenwoordige tijd)
  • I have not got a dog - Ik heb geen hond (tegenwoordige tijd, ontkenning)
  • Have I got a dog? - Heb ik een hond? (tegenwoordige tijd, vraagzin)

Samengestelde tijden

Als hulpwerkwoord wordt het ook gebruikt om samengestelde tijden in de actieve en passieve vorm te maken, net als 'to be'.
  • I have/had played the piano (present perfect/past perfect)
  • I have/had been playing the piano (present perfect continuous/past perfect continuous)
Ook de passief kan worden gemaakt met behulp van het werkwoord 'to have':
  • The wall has/had been painted (present perfect/past perfect)
Daarnaast wordt 'to have' als hulpwerkwoord ook nog gebruikt om mogelijkheid, verplichting en waarchijnlijkheid uit te drukken.

Verplichting

  • I have to be at work at 8 every morning - Ik moet elke ochtend om 8 uur op kantoor zijn
  • I have to finish this exam before 3 - Ik moet deze toets voor 3 uur afmaken
  • ('Have' komt hierbij in de buurt van 'must', een ander hulpwerkwoord)

Mogelijkheid

Met 'to have' kun je uitdrukken hoe zeker je weet dat iets gebeurd is:
  • She might not have known about the party - Wellicht wist ze niet van het feest
  • They may have gone home early - Misschien zijn ze vroeg naar huis gegaan
  • He might not have seen you - Misschien heeft hij je niet gezien
  • Could we have known about the war? - Hadden we over de oorlog kunnen weten?

Waarschijnlijkheid (logisch gevolg):

  • It is very sunny today, they must have gone to the beach - Het is erg zonnig vandaag, ze zullen wel naar het strand gegaan zijn