(Hulp)werkwoorden: 'to be' en 'to do'

Om Engelse zinnen te maken zijn hulpwerkwoorden heel belangrijk. Zonder hulpwerkwoorden kun je maar twee soorten zinnen maken: de tegenwoordige (present simple) en de verleden tijd (past simple).

Examples (voorbeelden):
  • He drinks tea with lemon - Hij drinkt thee met citroen
  • They walked in the park - Zij liepen in het park

De dingen die je hiermee kunt zeggen zijn vrij beperkt. Gelukkig zijn er ook nog hulpwerkwoorden, waarmee je bijvoorbeeld aan kunt geven dat je in de toekomst thee met citroen zal drinken, of dat je net in het park aan het lopen was toen iets gebeurde. Hulpwerkwoorden heb je ook nodig om vraagzinnen te maken, of juist om zinnen te ontkennen. Ten slotte kun je hulpwerkwoorden ook gebruiken om mogelijkheid, verplichting of toestemming uit te drukken.

'To be'

'To be' is het belangrijkste hulpwerkwoord.
Tegenwoordige tijd Nederlands Verleden tijd Nederlands
I am Ik ben I was Ik was
You are Jij bent You were Jij was
He/she/it is Hij/zij/het is He/she/it was Hij/zij/het was
We are Wij zijn We were Wij waren
You are Jullie zijn You were Jullie waren
They are Zij zijn They were Zij waren

Als hulpwerkwoord wordt 'to be' gebruikt voor samengestelde tijden en voor de passief. Het is een onregelmatig werkwoord, dat je het beste uit het hoofd kunt leren.

'To be' kan zowel als hoofdwerkwoord als als hulpwerkwoord gebruikt worden. Om te zien wat de precieze rol is van 'to be' kijk je of een vorm van 'to be' gevolgd wordt door een ander werkwoord. Als dat het geval is wordt 'to be' als hulpwerkwoord gebruikt, anders is 'to be' het hoofdwerkwoord.

Vergelijk
  • I am ill today - Ik ben ziek vandaag
  • I am walking - ik ben aan het lopen

In het eerste geval wordt 'to be' niet gevolgd door een ander werkwoord: het is dus het hoofdwerkwoord. In het tweede geval wordt 'to be' gevolgd door een ander werkwoord, 'walking'. In dit geval is 'to be' dus het hulpwerkwoord.

Er zijn verschillende werkwoordstijden die gemaakt worden met behulp van het werkwoord 'to be': de present continuous, de past continuous, de present perfect en de past perfect. Op deze tijden komen we in een andere les nog terug, maar hier alvast een paar voorbeelden:

Examples (voorbeelden):
  • I am/was walking - present continuous/past continuous
  • I have/had been walking - present perfect/past perfect

Ook de passief wordt gemaakt met behulp van het werkwoord 'to be':

Examples (voorbeelden):
  • The wall is/was painted - present simple/past simple
  • The wall has/had been painted - present perfect/past perfect
  • The wall will be painted - future continuous

'To do'

Een ander belangrijk hulpwerkwoord is 'to do'. Net als 'to be' is 'to do' onregelmatig.

Tegenwoordige tijd Nederlands Verleden tijd Nederlands
I do Ik doe I did Ik deed
You did Jij doet You did Jij deed
He/she/it does Hij/zij/het doet He/she/it did Hij/zij/het deed
We do Wij doen We did Wij deden
You do Jullie doen You did Jullie deden
They do Zij doen They did Zij deden
'To do' wordt als hulpwerkwoord gebruikt bij ontkenningen en bij vraagzinnen.
  • I read a book every day - Ik lees elke dag een boek
  • I do not read a book every day - Ik lees niet elke dag een boek
  • Do I read a book every day? - Lees ik elke dag een boek?
Bij korte antwoorden wordt het hoofdwerkwoord weggelaten.
  • Does he live here? Yes, he does. - Woont hij hier? Ja, dat doet hij.
  • Does she study there? No, she does not. - Studeert zij hier? Nee, dat doet ze niet.
Bij vragen die met ja of nee beantwoord kunnen worden staat een vorm van 'to do' voor het onderwerp. Het hoofdwerkwoord staat dan achter het onderwerp.
  • Did you go out tonight? - Ben je uit geweest vannacht?
  • Do you know this girl? - Ken je dit meisje?
In combinatie met 'so' en 'neither' kan 'to do' ook verschil en overeenkomst uitdrukken.
  • My boyfriend loves Liverpool and so do I - Mijn vriend is gek op Liverpool en ik ook
  • My boyfriend does not like Ajax, and neither do I - Mijn vriend vindt Ajax niets en ik ook niet
'To do' kan ook gebruikt worden om nadruk ergens op te leggen.
  • I do love this movie - Ik vind deze film echt geweldig
    ('Love' wordt versterkt door 'do' ervoor te zetten)
  • Do eat this cake! - Eet deze cake!
    (De gebiedende wijs wordt iets verzacht door 'do' ervoor te zetten)
  • He always does manage to come late - Hij slaagt er altijd in te laat te komen
  • She does always manage to say the right thing - Zij slaagt er altijd in om het juiste te zeggen
Iets positiefs of negatiefs wordt extra benadrukt:
  • Although he did not come to the previous three meetings, he did come today. - Hoewel hij niet naar de vorige drie vergaderingen is gekomen kwam hij wel vandaag.
  • If your sister did not steal your clothes, then who did? - Als je zus je kleren niet gestolen heeft, wie dan wel?
'To do' kan ook gecombineerd worden met een vorm van 'to get', de zogenaamde 'get passive'.
  • Did he get awarded the tender? - Heeft hij de opdracht toebedeeld gekregen?